Alle berichten van astrid

Over astrid

Twijfelt tussen 30plus en 40min, schrijver, dromend realist, niet lullen maar poetsen, Nederland of buitenland. Schrijft over van alles en nog wat, tot het boek Verdwaald in Tirol het licht zal zien.

Deadline

De afgelopen periode heb ik deze vraag regelmatig gekregen. ‘Heb je een planning Astrid?’ en ‘Wanneer wil je het af hebben, dat boek van jou?’ Sommige mensen voegden er zelfs aan toe – heel ego strelend! – ‘ja dat stukje op je blog las zo lekker, jammer dat het zo kort was!’ En laat ik maar eerlijk zijn: heb ik mezelf deze vraag ook best vaak gesteld. Want een project zonder deadline, dat vind ik maar ingewikkeld. Ik heb ook allerlei manieren ingezet om vooruitgang te meten, om zo te bedenken ‘wat is nou een realistische datum?’ Zo telde ik steeds de woorden aan het begin van een schrijfsessie en aan het einde. Mijn theorie daarachter was vrij simpel –je weet dat je ongeveer 500 woorden in een uur kunt schrijven en je wil er ongeveer 60.000 hebben, terwijl je er nu ongeveer 30.000 hebt. Reken maar uit wanneer het dan af is en blokkeer dat aantal dagen of dagdelen in je agenda.

Maar ja ik schreef het geloof ik al eens, schrijven is schrappen en zo af en toe had ik na een uur schrijven minder woorden in plaats van meer. Maar was ik wel dichter bij mijn uiteindelijke doel gekomen, omdat ik twee stukken van het verhaal samen had gevoegd. Dus die 500 woorden per uur, dat zijn er soms ook -100. En op een goed moment ook wel eens meer, maar die momenten zijn er toch wel echt wat minder.

Ik deed ook weer een poging om mee te doen aan NaNoWriMo – iedere dag in november schrijven, lekker meters maken. Helaas – ik schreef wel iets meer in november, maar zeker niet elke dag en al helemaal niet iedere dag de gewenste 1500 woorden… En ergens in november kwam daardoor de realisatie dat op dit moment het schrijven van mijn boek toch echt nog een hobby is. Natuurlijk ga ik voor tien oplages en honderdduizend exemplaren verkocht. Maar dat is verre toekomstmuziek, zo ver dat ik de tonen ervan op dit moment nog niet eens kan horen. Het moet leuk blijven en met alle trucjes die ik bedacht om mijn vooruitgang te meten, werd het er eigenlijk allemaal niet leuker op. Wel veel strenger en dat werkt bij mij vaak juist averechts. Ik probeer nu dus per week te kijken. Iedere week dat ik iets schrijf, of iets doe dat er voor zorgt dat het boek er straks komt is mooi meegenomen. Zeker omdat ik op het moment ook fulltime werk – twee grote opdrachten houden me aardig van de straat.

Betekent dit nu dat er geen planning is, dat jullie op een goede dag ergens in de nabije of minder nabije toekomst ineens een boek van mij kunnen verwachten. Nee natuurlijk niet! Natuurlijk is er een planning – jullie kennen me toch zo langzamerhand wel? De planning is dat ik eind mei, als de grote reünie met de schrijfdames plaats vindt, mijn eerste versie af wil hebben. Dat hoeft nog niet de geredigeerde, meegelezen versie te zijn – liefst wel, maar als er dan een volledig manuscript is, dan ben ik tevreden en ik denk ook trots. Wanneer het boek dan ook te koop gaat zijn, dat is vers twee. Dat ga ik echt nog wel een keer vertellen, wees niet bang.

Om de planning te halen heb ik nog wat anders besloten. Want de stem van Marelle die zegt ‘aan iedere hobby moet je tijd besteden’ klinkt ook regelmatig in mijn hoofd. Als je voor een volledige week opdrachten aanneemt, blijft er weinig tijd en energie over om te schrijven. Ik dacht ‘ik kan toch ook in de avond en op zondag schrijven’ – maar dat blijkt nog niet zo makkelijk. Je energie is minder, je concentratie ook en je hoofd zit vol met de dagelijkse gebeurtenissen en beslommeringen. Dus ga ik even geen nieuwe klussen aannemen en zelfs klussen teruggeven. Ik zeg al jaren dat ik eigenlijk 4 dagen wil werken en nu ga ik zelfs nog een stapje verder – voorlopig wil ik naar 3 dagen. Super spannend vind ik – want daarmee maak ik het boek nog net een beetje belangrijker dan het al. Maar tegelijkertijd geeft het me nu al ruimte en inspiratie.

Dus op naar mei 2019 – op naar een compleet manuscript!

 

Foto door rawpixel op Unsplash.

Het boek – ontmoet de hoofdpersonen

Daar ga ik dan – ik deel vandaag een eerste stukje van HET boek met jullie. Ik las het al voor tijdens de schrijfvakantie, mijn eega las het zelf en ik deelde het met mijn schrijfmaatje. En nu dan met jullie.

Dit is niet het begin – maar ik deel hierin wel de namen van mijn hoofdpersonen: Stefanie – kortweg Steffi of Stef – en Lex. En ja eerder hadden ze andere namen. Wil je die ook weten?

 

‘Zeg lief, waar zit dat bedrijf eigenlijk? Is het een beetje bereisbaar vanuit Rotterdam?’ Ik zie het meteen – nee dus.

‘Ehm ja. Nou weet je, dat is het enige dat misschien wel iets ingewikkelder is. Het bedrijf zit in Wattens.’

Wattens? Ik heb geen idee – maar ach alles in Nederland is ongeveer bereisbaar denk ik er direct achteraan.

‘En Stef schrik niet, maar dat ligt in de buurt van Innsbruck.’

Ik kijk hem met grote ogen aan.

‘Innsbruck? In Oostenrijk, in de bergen?’

Hij lacht weer.

‘Ja maar weet je, we wilden toch altijd al naar het buitenland? Dit is onze kans – alles kan geregeld worden. Wie weet kan ik er voor jou ook wel een baan uitslepen, werk zat. Zelfs een taalcursus Duits is geen enkel probleem. En je wil toch al een hele tijd iets schrijven, een kookboek? Ideale plek daarvoor.’

Ik hoor het al – in zijn hoofd is Lex al tig stappen verder dan ik. Maar dat is niets nieuws – hij rent vooruit, ik haal hem terug en uiteindelijk komen we ergens halverwege uit. Alleen op dit moment zie ik nog even niet wat er halverwege Innsbruck en Rotterdam ligt.

Terwijl Lex naast me in de auto doorkletst over Wenen, Walter en Wattens, dwalen mijn gedachten af naar de eerste keer dat we het serieus hadden over vertrekken naar het buitenland, aan het einde zaten van onze eerste reis door Amerika. Vier weken hadden we als idioten rondgereden. Lex had net zijn rijbewijs en we legden bijna zesduizend kilometer af in die vier weken, want hoe meer we reden hoe leuker hij het vond. En ik vond het prachtig, dat voorbijtrekkende landschap, ergens tussen hier en daar, gewoon lekker onderweg en onbereikbaar zijn. Geen telefoontjes, geen e-mails, geen mensen die willen afspreken, alleen wij in onze camper.

De dag voor we terug gingen was het Independence Day en het ‘Hi! How are you doing!’ klonk die dag nog enthousiaster dan op de andere dagen. Ik had al heimwee naar Amerika voor we er weg waren. Tijdens de lunch in zo’n echte Amerikaanse Diner, terwijl het personeel zo’n idioot dansje doet zoals je ze in de films ook wel ziet, sprak ik de legendarische woorden ‘misschien moeten we het gewoon doen, gewoon alles verkopen en vertrekken naar het buitenland.’

Lex keek me met grote ogen aan. ‘En ons nieuwe appartement dan? En jouw bedrijf, mijn baan?’

Lex was zijn promotieonderzoek aan het afronden en had al een contract getekend als consultant. Weggaan – het leek een gepasseerd station, we hadden inmiddels zo veel opgebouwd. En toch… mijn bedrijf had een internationale naam, Lex koos voor een internationaal consultancy bedrijf. Het leven in Nederland werd steeds hectischer en het bleef kriebelen. Voor Lex werd het gevoel minder urgent, voor zijn werk was hij regelmatig in het buitenland. Bovendien liet hij zijn agenda minder bepalen door allerlei privé-afspraken.

‘Keuzes Stef, keuzes – niet iedereen hoeft je beste vriendin te zijn en zelfs tegen je beste vrienden mag je best soms nee zeggen. Blijf lekker een dag bij mij in bed.’

Meestal bleef ik op zo’n moment nog even liggen, maar als snel werd ik dan onrustig en kroop ik toch achter mijn laptop of pakte de telefoon om deze of gene te bellen. Als er maar meer afstand was, dan werd het vast wel anders, dan….

‘Stef, let je op? Je rijdt bijna naar Leiden, we moeten echt naar Rotterdam hoor.’

O wacht, met al dat mijmeren vergeet ik bijna dat ik aan het rijden ben.

‘Waar zat je met je gedachten, bij hoe je me moet vertellen dat Wattens echt niet kan?’

Ik lach – als ik nee zeg, dan gaan we niet. Zo goed ken ik hem ook wel; als het geen beslissing van ons samen is, dan doen we het niet. Natuurlijk proberen we elkaar dan te overtuigen, we zijn er allebei niet zo goed in een plan te laten varen. Maar tot zijn verbazing en eigenlijk ook tot die van mijzelf zeg ik ‘weet je, misschien is dit wel de kans om het echt te doen. Om alles achter ons te laten en gewoon te gaan. Hoe lang hebben we het er al over? Ik denk dat we er op zijn minst over moeten nadenken.’

 

Die avond drinken we de hele fles port leeg en praten we tot diep in de nacht over alle keren dat we ergens wilden gaan wonen. We halen herinneringen op aan de idiote dingen in Amerika, de keren dat in Tsjechië bijna werden opgelicht en de keren dat we dankzij mijn niet-bestaande kaartleesvaardigheden op een totaal verkeerde plek in de stad stonden. ‘Dat standbeeldenpark in Budapest moeten we echt nog een keer bezoeken. En weet je nog, de keer dat we in Dresden terug de trein in gingen naar Berlijn, omdat daar de hotels goedkoper waren? 59 D-Mark Stef, kun je het je voorstellen? Maar in Berlijn was het maar 20 en dan konden we langer wegblijven.’

‘Ja, tot we besloten om in een café borreltjes te gaan drinken en we er net een paar meer dronken dan goed was voor ons budget.’

Tegen vier uur vinden we het mooi geweest. De fles is leeg, alles is voor nu gezegd, er is een plan ontstaan. Moe, maar ook met een opgewonden gevoel over alles wat mogelijk gaat komen nestel ik me tegen hem aan.

‘Laten we er heen gaan Stef, voor we beslissen. Want het is er echt wel anders dan hier.’

Ik knik en kus hem welterusten.

Pieter

Geen denken aan meneer, was mijn eerste gedachte. Mijn tweede was om mijn mond dicht te doen en nooit meer te openen. De derde om maar gewoon weg te rennen en nooit meer in die stoel te gaan liggen. Maar ja. Wat moet, dat moet toch… en dus besloot ik in de paar milliseconden tussen zijn ‘die kies, die moet er uit’ en alles wat daarna door mijn hoofd schoot dat het dat maar net zo goed nu meteen kon. En dus deed ik mijn ogen dicht en knikte.

Een bezoekje aan de tandarts. Nu heb ik een beetje een geschiedenis met de tandarts, zoals zo veel mensen. Ooit lang geleden, ik denk dat ik 7 of 8 was, beet ik op een kaneelstok van de kermis en verging van de pijn. Een gaatje. De tandarts peuterde met zijn haakje in dat gaatje en dat leverde een vlammende pijn op. Nee ik was dus niet verdoofd – om eerlijk te zijn weet ik zelfs niet of dat toen uberhaupt werd gedaan. Niet door onze tandarts in ieder geval. Daarna weigerde ik mijn mond op te doen bij de goede man. Ik weet niet hoe vaak het is geprobeerd, maar op een gegeven moment was er nog maar een optie: een andere tandarts.

De speciale kinderarts zat vol en dus gingen we naar een tandarts die door een van de buren werd aanbevolen. Hij had ervaring opgedaan in het leger – dus hij zou in ieder geval wel kunnen zorgen dat ik mijn mond open deed. Dat deze man van ons de bijnaam sadist kreeg, gebaseerd op zijn werkelijke naam overigens, zegt misschien wel genoeg. Maar vreemde ogen dwingen en bij de eerste controle deed ik dus toch mijn mond open. Maar toen brak het moment aan van de afspraak waar het gaatje gevuld zou worden. Ik was, ik geef het gewoon toe, hysterisch en aan het jammeren over de vreemd tandpasta waar ik mijn tanden mee moest poetsen (terzijde: ik poets mijn tanden al jaren voor ik naar de tandarts ga, maar toen moest ik ze daar ter plekke poetsen) en dat ik echt niet wilde en dat het niet hoefde en …. Toen kreeg ik een pets op mijn wang van de tandarts. Geen harde hoor, echt niet, maar om me uit mijn hysterie te halen moest hij iets. Verbouwereerd deed ik mijn mond open en vijf minuten later had ik een prachtige amalgaan vulling in mijn mond.

Na een tijd gingen we naar een andere tandarts, want hoewel mijn gaatje gevuld was, was tandarts nummer 2 a) niet zo aardig en b) zat ver weg. Dus moesten we altijd met z’n vieren (mijn vader was de eerste tandarts trouw gebleven) en dan zat ik iedereen lekker zenuwachtig te maken met mijn gedrag. Mijn zussen waren inmiddels ook bang voor ‘het haakje’ en ik denk dat mijn moeder ieder half jaar moed moest verzamelen om ons de auto in te dirigeren. Enfin – we gingen dus naar een tandarts op loopafstand van mijn ouderlijk huis en voortaan mochten we zelf een afspraak maken.

De nieuwe tandarts was jong, vriendelijk en wilde best zo veel mogelijk zonder haakje doen. Jaren lang ging het prima, tot ik op mezelf ging wonen en een aantal jaar helemaal niet naar de tandarts ging. Toen ik voor de eerste keer weer een afspraak maakte, voelde ik al die oude zenuwen weer. ‘Waarom ben je toch zo bang voor mij, als je gewoon ieder jaar even komt is er niets aan de hand, je hebt sterkte tanden.’ Ja ja – ik dacht er altijd achteraan ‘tot je een kies wil trekken en ik verdoofd moet worden.’ Want ik ben niet alleen bang voor de tandarts, ik ben nog banger voor naalden en dus liet ik nog altijd niets verdoven. Ook niet toen er drie amalgaan vullingen uitgeboord moesten worden, of toen ik een uur lang bij de mondhygiëniste in de stoel mocht plaats nemen voor een fijne (not) schoonmaakoperatie. Maar ja – dat toegeven dat vond ik ook zo wat en dus lachte ik altijd maar wat naar de tandarts.

Ik kom nog steeds bij diezelfde tandarts; want fijn is hij wel en bij hem weet ik wat ik kan verwachten. Zeker sinds ik bij de mondhygiënist loop en hij alleen maar even komt kijken. Tot de vorige afspraak dan. Hij was er niet en de collega-tandarts vond, na een klacht van mij over gevoeligheid, twee gaatjes. En dus moest er een afspraak komen om ze te vullen. ‘Ach’, dacht ik, ‘hoe erg kan het zijn? Twee gaatjes, het is wel eens vervelender geweest.’ Vanochtend ging ik er redelijk ontspannen heen. En toen zat er dus ook een gat in een verstandkies – een waarvan hij al eerder had gezegd ‘zal ik die er niet uithalen’ en die ik stug nog maar een keer had laten vullen. ‘Als ik het was, haalde ik hem er nu uit’ hoorde ik hem zeggen. ‘Nu meteen?’ ‘Ja joh, vijf minuten extra werk, je voelt er niets van.’ Dat geloofde ik niet helemaal, al had ik me dit keer voor het eerst wel laten verdoven (jaja, het bloed doneren heeft me dan toch deels van mijn angst voor naalden afgeholpen!) en moest ik toegeven dat zelfs dat verdoven eigenlijk geen pijn deed. ‘Nee vul maar, trekken doen we later wel.’

Hij toog aan het werk, eerst met de gaatjes waar ik voor kwam (waarvan er dus een in die kies zit waar het ooit mee begon!) en toen met het uitboren van het onverwachte derde gat. Gat ja – ‘Astrid, dit kan ik niet vullen. Als ik dit vul, zit je dit weekend bij de noodtandarts in Wassenaar.’ En toen wilde ik dus mijn mond dicht doen. Misschien was het het idee van een onbekend tandarts, of de gedachte aan een vervolgafspraak en de zenuwen daarvoor, of misschien was het gewoon het idee ‘ach het doet echt nog geen pijn’ dat me liet knikken. De rest van de behandeling deed ik mijn ogen dicht. Het moment dat hij me ging vertellen dat het nu ging gebeuren legde ik mijn handen onder mijn billen en zette me een soort van schrap. Want echt makkelijk lukt dat niet in zo een gladde tandartsstoel. Binnen een minuut had hij de kies in zijn handen. En toen schoot ik in de lach – van opluchting en ontlading.

Bijna 30 jaar ben ik al bang voor de tandarts. Vooral dus vanwege het idee dat er ooit een kies uit zal moeten. En nu? Binnen een minuut was het gebeurd. Zonder pijn. Wie weet stap ik in het vervolg zonder zenuwen de deur van de behandelkamer binnen. Of toch niet – want ik heb nog drie verstandskiezen…

 

Foto door Alex voor Unsplash.