Categorie archief: Verdwaald in Tirol – het boek

Hier komt alles dat te maken heeft met Verdwaald in Tirol te staan.

Hoe het allemaal begon – maart 2010

Dagboek, begin maart 2010

Het is zover – S. is in Innsbruck voor zijn sollicitatie! Soms lijkt het allemaal zo snel te gaan, op andere momenten denk ik ‘was er maar vast duidelijkheid.’ We denken al zo lang aan het buitenland – zou het nu dan gaan gebeuren? Soms denk ik wel ‘waar begin ik aan?’ Oostenrijk – Duits praten, een stad in de bergen. Ik houd helemaal niet van bergen en al helemaal niet van sneeuw. Maar de stap daarna, naar Amerika, die lonkt. Stel je toch voor dat we daar over twee, drie jaar zitten! En hoe lang is twee jaar nou – kan ik eindelijk eens tijd maken voor die studie onderwijskunde. Minder gaan werken – want dat roep ik ook al jaren.

Ik ben ook al aan het kijken voor een spoedcursus Duits, al heb ik echt geen idee hoe ik die op dit moment ergens tussen kan passen. Eerst maar eens afwachten of het doorgaat. De sollicitatiebrief ging al in december de deur uit – zegt het dan iets over zijn kansen als er nu pas een gesprek is? Natuurlijk moesten er hier ook dingen gebeuren waardoor het niet eerder kon – ‘even’ promoveren. Maar spannend blijft het wel. Want wat als het antwoord nee is? Dan zijn er nog geen echte alternatieven. Maar S. zegt dat er genoeg andere plekken zijn om te post-doccen. Al wil hij ook niet overal naartoe – de keuze voor Innsbruck is gemotiveerd door het gerenomeerde instituut en de bekende professor die er zit. Waarom zit deze man niet in Parijs? Dan heb ik tenminste al een goede vriendin die me de weg kan wijzen en waar ik gezellig mee kan gaan lunchen. Londen was ook leuk geweest – Engels spreek ik tenminste wel. Maar ja – helaas. Innsbruck is vast ook mooi. Wie weet kan ik wel leren skiën… Dat geloof ik zelf nog niet helemaal, maar goed.

Voor nu is het vooral afwachten. Misschien had ik toch mee moeten gaan, dan had ik de stad kunnen bekijken. Op internet zie ik mooie plaatjes – maar hoe is het om daar echt rond te lopen? Buiten Wenen ben ik nog nooit in Oostenrijk geweest en dat was nog in mijn kindertijd. Jammer genoeg ben ik te druk met werk – volle weken bij het bedrijf in de achtertuin.* De interimklus is natuurlijk weer wat uitgebreider dan gedacht. Dat kan natuurlijk niet meer, als we straks in het buitenland wonen. Gelukkig kunnen er genoeg dingen ook prima vanaf een afstand gedaan worden. Iemand vertelde me over de periode dat ze in Zwitserland woonde – ze reed regelmatig heen en weer. Dat zie ik toch nog niet helemaal voor me – alleen vanaf Innsbruck naar Nederland rijden. Volgens haar wen je er aan. Ik betwijfel het nog een beetje…

Ik probeer te denken ‘dat zien we wel als het echt zo ver is’ – maar dat is niet mijn sterkste kant. Mijn hersenen maken overuren deze weken – wat nou als, wat nou als niet. Hoe zou ik dat regelen, wat moeten we hiermee… Mijn moeder zou zeggen ‘Adem in, adem uit en glimlach’ en dat probeer ik dan ook maar. Eens even kijken of ik al een berichtje van S. heb – de eerste gesprekken moeten nu toch wel geweest zijn….

* Niet letterlijk in de achtertuin. Maar vanwege de privacy en getekende overeenkomsten mag ik de naam van dit bedrijf niet noemen. We keken er vanuit ons zolderraam op uit. Vandaar deze verwijzing.

Foto: Het gouden dak – ofwel das goldene Dachl – is ongetwijfeld een van de bekendste gebouwen in Innsbruck. Hier voltrok zich al snel een klein drama, toen we eenmaal in Innsbruck woonden. Wat en hoe? Dat leest u een volgende keer…

Santiago De Compostela

Een paar weken geleden verraste mijn vader me met een vrij onverwachte vraag. Hij heeft het plan opgevat, na het zien van de film The Way, om naar Santiago De Compostela te gaan wandelen. Althans – zo’n 300 kilometer van deze bedevaartstocht wil hij* gaan afleggen. En dat niet alleen: hij wilde dit met mij gaan doen. Wij – samen – vader en dochter, 300 kilometer wandelen in een week of drie. Misschien was mijn antwoord voor hem, of voor mijn moeder, onverwacht, maar ik zei niet meteen nee, maar dat ik er over na ging denken. Dat ik eerst de film zou kijken en dan zou beslissen.

In de weken daarna kwam het er eerst niet van om de film te kijken. Mijn vader vertelde namelijk dat het wel een film was waar je aandachtig naar moest kijken en ik heb niet iedere dag twee uur de tijd om een film te kijken. Ik sprak er al wel met wat mensen over, over die onverwachte vraag. De eerste reactie was eigenlijk altijd in deze richting ‘leuk, gaaf, moet je doen. Wil ik ook!’ Als ik dan zei dat ik me toch afvroeg of ik wel het type ben voor zo’n tocht, zag ik vaak eerst een blik van ‘hoezo niet? Wil niet iedereen zichzelf vinden tijdens een pelgrimstocht,’ maar na wat meer uitleg van mij snapten ze het vaak wat beter.

Een week of drie terug keek ik dan eindelijk The Way. De film gaat over een Amerikaanse oogarts, wiens zoon stopt met zijn studie om te gaan reizen: hij wil de wereld zien. Ook deze zoon wil natuurlijk naar Santiago De Compostela – maar helaas, op dag 1 van zijn tocht verongelukt hij in de mist. Vader reist af naar Frankrijk om de begrafenis te regelen (wat uiteindelijk een crematie wordt) en besluit om zelf de tocht te gaan maken. Geheel onvoorbereid uiteraard, met de rugzak van zijn zoon met spullen erin. Onderweg komt hij natuurlijk van allerhande mensen tegen – waaronder een erg leuke Nederlander. Soms dacht ik wel ‘ai ai – dat doen ‘wij Nederlanders’ echt zo!’ – en iedereen heeft zo zijn reden om de tocht te maken. Uiteraard vormt zich een groepje om de Amerikaanse oogdokter heen – waaronder dus die Nederlander en een schrijver -, al zit hij daar zelf eigenlijk in eerste instantie niet zo op te wachten en probeert hij ook uit alle macht om iedereen weer van zich af te stoten. De schrijver schrijft uiteraard een verhaal over deze tocht en het verhaal van de oogdokter, die ook overal wat as van zijn zoon achterlaat, is een mooie inspiratiebron. Enfin – ze halen als groepje het einde en staan dan uit te kijken over de oceaan. Het grote inkeer- en inzichtsmoment is daar.

En dan ga je  dus nadenken over de vraag ‘waarom zou ik deze tocht eigenlijk willen maken?’ Natuurlijk is het een eer dat mijn vader zoiets vraagt – maar alleen dat vond ik niet voldoende reden. Er tuimelde allerlei gedachtes door elkaar en over elkaar heen in mijn hoofd – van het idee ‘dan kan ik EIN-DE-LIJK- dat BOEK schrijven’ (ja mensen, dat wil ik nog altijd), naar ‘lekker rustig’ (met alle andere pelgrims….), naar ‘toch een eer dat mijn vader dit vraagt en met mij dit wil doen terwijl anderen zich hebben aangeboden’ tot ‘ik krijg vast nog een dieper inzicht in mezelf’ en ‘het is misschien wel een mooie voorbereiding op trainen voor een marathon.’ En dan vrij snel daarna kwam toch mijn nuchtere kant boven: ‘maar eigenlijk geloof ik daar allemaal helemaal niet in.’ Tsja en dat is eigenlijk toch wel doorslaggevend. Ik geloof niet in bedevaartstochten of retraites om jezelf te vinden. Wij zijn verhuisd naar een stad waar ik soms echt van dacht ‘dit is het einde van de wereld’ (met name in de winter, als de wolken laag hingen en de wereld wel heeeeeel klein leek). Begrijp me niet verkeerd: ik zou het zo weer doen. Maar niet omdat ik ineens een heel ander mens ben geworden of omdat ik daar mezelf opnieuw heb uitgevonden. Sterker nog, ik heb er juist van geleerd dat waar je ook heen gaat, je neemt jezelf gewoon mee. Met al je leuke kanten, maar ook met al je lastige kanten, je nukken en je onzekerheden. Het is een prachtig en verleidelijk idee hoor, dat je een maand in een hut op een berg gaat zitten of dat je drie weken gaat wandelen en dat je dan terugkomt met diepe inzichten en dat je een soort herboren versie van jezelf bent. Maar volgens mij is de realiteit dat je eenmaal terug in je ‘echte’ leven toch weer moet omgaan met dezelfde lastige dingen – die zijn niet ineens weg.

Nu zeg ik overigens niet dat je het niet moet doen – want ik denk dat het een prachtige tocht kan zijn als je het vanuit een innerlijke drijfveer doet. Wat die dan ook is. Mijn ega liet me inzien dat ik vermoedelijk om dezelfde reden het nodig vindt om toch steeds weer een halve marathon te lopen. Ik bedoel ik kan iedere dag als ik dat wil een rondje van 21km gaan lopen – maar het is toch anders als je dat doet terwijl een grote groep anderen dat ook doet en er mensen langs de kant staan. Het snikje dat ik al een paar keer heb gevoeld richting de finish is toch ook een soort van inzichtsmoment, of een gevoel van ‘dat heb ik toch maar mooi geflikt.’ Maar twee dagen later moet ik me ook weer net zo hard motiveren om toch mijn loopschoenen weer aan te doen (sterker nog: in de aanloop naar zo’n wedstrijd toe verzucht ik ook regelmatig dat ik nu echt meer moet gaan lopen). Waarmee ik maar wil zeggen: het effect is niet blijvend, je moet er steeds weer opnieuw over nadenken wat je nou eigenlijk belangrijk vindt en daar steeds weer voor kiezen en andere dingen voor laten.

Schrijf ik wartaal? Misschien voor sommigen onder u wel. Dat mag ook – helemaal te volgen is het voor mijzelf namelijk ook niet 😉 Maar het deed me wel weer denken aan Oostenrijk, aan de inzichten die ik vanuit daar heb meegenomen. En dat is toch wel wat ik ooit op dit blog met u wilde delen. Dus dat doe ik nu – op mijn geheel eigen, warrige wijze. Mijn vader is vast trots op me 🙂

 

* Helemaal zeker van dit plan is mijn vader overigens nog niet. Niet of hij wil gaan, waar hij precies wil starten en hoe lang de route dan zal zijn. Maar het was wel een serieuze vraag – dat u niet denkt dat ik dit alles uit mijn duim zuig.

Worstelen

We zijn inmiddels een jaar terug in Nederland, mijn ega en ik. Soms is het alsof we nooit zijn weggeweest uit ons koude kikkerlandje – alles lijkt weer zoals ‘ervoor.’ Natuurlijk, we wonen in een ander huis – maar dat is niet zo uniek voor ons. We wonen ook in een andere stad, maar voor mezelf sprekend kan ik zeggen dat ik mijn weg in die stad wel redelijk gevonden heb. Ik voel me nu ongeveer net zo thuis in Rotterdam als destijds in Leiden – nu alleen nog wat beter de weg leren kennen 😉

Soms is het zelfs enorm fijn om weer terug te zijn. Als je een huisarts moet zoeken bijvoorbeeld en je gewoon alles in het Nederlands kan vragen en uitleggen. Of als je gedoe hebt met je internetverbinding en je gewoon de monteur kan begrijpen, omdat hij niet allerhande ingewikkelde termen in het Duits roept. Of als je gewoon lekker ergens gaat zitten werken en de gesprekken om je heen een beetje kan volgen als je even voor je uit zit te staren. Of dat je dan met de serveerster even kan praten over wat je doet, zonder dat je na hoeft te denken over hoe je dat in het Duits uitlegt. Het leven is kortom in sommige opzichten veel makkelijker nu we terug zijn.

En toch… toch is er een knagend gevoel als ik een foto zie uit Innsbruck van een vriendin die daar op vakantie is. Of een update op Facebook van een vriendin uit Erlangen of een mail van een vriendin uit Bremen. Voor we terug gingen las ik eens dat je nooit een grotere cultuurschok mee zult maken dan wanneer je terug gaat naar je eigen land. Reverse Culture Shock noemen ze dat ook wel. Het is een beetje het gevoel dat je overal weer wat van moet vinden, terwijl we in Oostenrijk en Duitsland de onwetende buitenlanders konden zijn. En het gevoel dat dit het dan is – huis, boompje zeg maar. Volwassen  – later is nu geworden. Zo lang we bleven verhuizen was er een richting, een volgend plan en een gevoel van vrijheid. Nu is er soms het gevoel van beknelling, van dingen moeten die ik eigenlijk helemaal niet wil. Dat gevoel was er vast ook gekomen als we 10 jaar in Duitsland hadden gewoond – maar ja, dat was dan pas over 8 jaar geweest 😉

Worstelen – dat is het soms. Maar ach om er maar een dooddoener tegenaan te gooien: what doesn’t kill you, makes you stronger. Clichés bevatten vast een kern van waarheid – anders zou niet iedereen ze steeds aanhalen toch! Dus over nog een jaar, voelt het allemaal vast meer in balans. Wie weet schrijf ik hier dan een stukje met daarin mijn mening over het asielbeleid, de stijgende AOW-leeftijd, de niet meer te beheersen kosten in  de gezondheidszorg of een ander willekeurig onderwerp dat groter is dan mijn eigen kleine gedachtes.  Of misschien denk ik dan wel helemaal niet meer ‘het is nu twee jaar geleden dat’- dan ben ik denk ik pas echt weer in balans.