Tagarchief: naalden

Pieter

Geen denken aan meneer, was mijn eerste gedachte. Mijn tweede was om mijn mond dicht te doen en nooit meer te openen. De derde om maar gewoon weg te rennen en nooit meer in die stoel te gaan liggen. Maar ja. Wat moet, dat moet toch… en dus besloot ik in de paar milliseconden tussen zijn ‘die kies, die moet er uit’ en alles wat daarna door mijn hoofd schoot dat het dat maar net zo goed nu meteen kon. En dus deed ik mijn ogen dicht en knikte.

Een bezoekje aan de tandarts. Nu heb ik een beetje een geschiedenis met de tandarts, zoals zo veel mensen. Ooit lang geleden, ik denk dat ik 7 of 8 was, beet ik op een kaneelstok van de kermis en verging van de pijn. Een gaatje. De tandarts peuterde met zijn haakje in dat gaatje en dat leverde een vlammende pijn op. Nee ik was dus niet verdoofd – om eerlijk te zijn weet ik zelfs niet of dat toen uberhaupt werd gedaan. Niet door onze tandarts in ieder geval. Daarna weigerde ik mijn mond op te doen bij de goede man. Ik weet niet hoe vaak het is geprobeerd, maar op een gegeven moment was er nog maar een optie: een andere tandarts.

De speciale kinderarts zat vol en dus gingen we naar een tandarts die door een van de buren werd aanbevolen. Hij had ervaring opgedaan in het leger – dus hij zou in ieder geval wel kunnen zorgen dat ik mijn mond open deed. Dat deze man van ons de bijnaam sadist kreeg, gebaseerd op zijn werkelijke naam overigens, zegt misschien wel genoeg. Maar vreemde ogen dwingen en bij de eerste controle deed ik dus toch mijn mond open. Maar toen brak het moment aan van de afspraak waar het gaatje gevuld zou worden. Ik was, ik geef het gewoon toe, hysterisch en aan het jammeren over de vreemd tandpasta waar ik mijn tanden mee moest poetsen (terzijde: ik poets mijn tanden al jaren voor ik naar de tandarts ga, maar toen moest ik ze daar ter plekke poetsen) en dat ik echt niet wilde en dat het niet hoefde en …. Toen kreeg ik een pets op mijn wang van de tandarts. Geen harde hoor, echt niet, maar om me uit mijn hysterie te halen moest hij iets. Verbouwereerd deed ik mijn mond open en vijf minuten later had ik een prachtige amalgaan vulling in mijn mond.

Na een tijd gingen we naar een andere tandarts, want hoewel mijn gaatje gevuld was, was tandarts nummer 2 a) niet zo aardig en b) zat ver weg. Dus moesten we altijd met z’n vieren (mijn vader was de eerste tandarts trouw gebleven) en dan zat ik iedereen lekker zenuwachtig te maken met mijn gedrag. Mijn zussen waren inmiddels ook bang voor ‘het haakje’ en ik denk dat mijn moeder ieder half jaar moed moest verzamelen om ons de auto in te dirigeren. Enfin – we gingen dus naar een tandarts op loopafstand van mijn ouderlijk huis en voortaan mochten we zelf een afspraak maken.

De nieuwe tandarts was jong, vriendelijk en wilde best zo veel mogelijk zonder haakje doen. Jaren lang ging het prima, tot ik op mezelf ging wonen en een aantal jaar helemaal niet naar de tandarts ging. Toen ik voor de eerste keer weer een afspraak maakte, voelde ik al die oude zenuwen weer. ‘Waarom ben je toch zo bang voor mij, als je gewoon ieder jaar even komt is er niets aan de hand, je hebt sterkte tanden.’ Ja ja – ik dacht er altijd achteraan ‘tot je een kies wil trekken en ik verdoofd moet worden.’ Want ik ben niet alleen bang voor de tandarts, ik ben nog banger voor naalden en dus liet ik nog altijd niets verdoven. Ook niet toen er drie amalgaan vullingen uitgeboord moesten worden, of toen ik een uur lang bij de mondhygiëniste in de stoel mocht plaats nemen voor een fijne (not) schoonmaakoperatie. Maar ja – dat toegeven dat vond ik ook zo wat en dus lachte ik altijd maar wat naar de tandarts.

Ik kom nog steeds bij diezelfde tandarts; want fijn is hij wel en bij hem weet ik wat ik kan verwachten. Zeker sinds ik bij de mondhygiënist loop en hij alleen maar even komt kijken. Tot de vorige afspraak dan. Hij was er niet en de collega-tandarts vond, na een klacht van mij over gevoeligheid, twee gaatjes. En dus moest er een afspraak komen om ze te vullen. ‘Ach’, dacht ik, ‘hoe erg kan het zijn? Twee gaatjes, het is wel eens vervelender geweest.’ Vanochtend ging ik er redelijk ontspannen heen. En toen zat er dus ook een gat in een verstandkies – een waarvan hij al eerder had gezegd ‘zal ik die er niet uithalen’ en die ik stug nog maar een keer had laten vullen. ‘Als ik het was, haalde ik hem er nu uit’ hoorde ik hem zeggen. ‘Nu meteen?’ ‘Ja joh, vijf minuten extra werk, je voelt er niets van.’ Dat geloofde ik niet helemaal, al had ik me dit keer voor het eerst wel laten verdoven (jaja, het bloed doneren heeft me dan toch deels van mijn angst voor naalden afgeholpen!) en moest ik toegeven dat zelfs dat verdoven eigenlijk geen pijn deed. ‘Nee vul maar, trekken doen we later wel.’

Hij toog aan het werk, eerst met de gaatjes waar ik voor kwam (waarvan er dus een in die kies zit waar het ooit mee begon!) en toen met het uitboren van het onverwachte derde gat. Gat ja – ‘Astrid, dit kan ik niet vullen. Als ik dit vul, zit je dit weekend bij de noodtandarts in Wassenaar.’ En toen wilde ik dus mijn mond dicht doen. Misschien was het het idee van een onbekend tandarts, of de gedachte aan een vervolgafspraak en de zenuwen daarvoor, of misschien was het gewoon het idee ‘ach het doet echt nog geen pijn’ dat me liet knikken. De rest van de behandeling deed ik mijn ogen dicht. Het moment dat hij me ging vertellen dat het nu ging gebeuren legde ik mijn handen onder mijn billen en zette me een soort van schrap. Want echt makkelijk lukt dat niet in zo een gladde tandartsstoel. Binnen een minuut had hij de kies in zijn handen. En toen schoot ik in de lach – van opluchting en ontlading.

Bijna 30 jaar ben ik al bang voor de tandarts. Vooral dus vanwege het idee dat er ooit een kies uit zal moeten. En nu? Binnen een minuut was het gebeurd. Zonder pijn. Wie weet stap ik in het vervolg zonder zenuwen de deur van de behandelkamer binnen. Of toch niet – want ik heb nog drie verstandskiezen…

 

Foto door Alex voor Unsplash.