Tagarchief: nostalgie

Verboden in te rijden

Ik schreef het al eens, vroeger gingen wij regelmatig op vakantie in het voormalig Oostblok. Sommige dingen waren daar want anders dan we van ‘thuis’ gewend waren. Zo lagen er andere dingen in de supermarkt en was het niet altijd vooraf te voorspellen of dat wat je wilde hebben wel te koop was. De ene dag wel, maar de andere dag misschien wel niet. In mijn herinnering is het zo dat als mijn ouders bedachten dat we wel eens bij de tent / vouwwagen / caravan konden eten, het een soort van dagtaak was om dan ook alle ingrediënten te kopen die nodig waren. Misschien overdrijf ik het nu – maar dat gebeurt soms met herinneringen.

Nog iets anders: bewegwijzering. En dan bedoel ik met name de bewegwijzering van wandelpaden. Die was er namelijk niet echt. Geen ANWB-paddenstoeltjes met daarop een pijl en de afstond tot plaats X. Soms waren er wel routes aangegeven en met enig geluk waren die dan ook compleet aangegeven. Maar vaker was het gewoon luisteren naar iemand anders die een bepaalde route al gelopen had. En dan luisterde natuurlijk mijn vader – hoofdloper van de familie. Wij, mijn moeder en mijn zussen, liepen op de dag van zo’n wandeling vrolijk achter mijn vader aan. Mijn zussen en ik werden ook wel Kwik, Kwek en Kwak genoemd. Op een gegeven moment voelden we dan wel nattigheid – bijvoorbeeld omdat het allemaal toch wel wat langer duurde dan gedacht. Of omdat op de plek waar je eigenlijk een brug zou verwachten er toch geen lag. Of omdat het toch ging regenen en wij, optimistisch als we zijn, geen regenjas bij ons hadden.
Als we het nu over die vakanties hebben, komt vooral de wandeling door het Slowaaks Paradijs – bij ons bekend als de Slowaakse Hel – nog regelmatig ter sprake. In het begin hadden we nog wel lol in het klauteren over riviertjes via houten bruggetjes, maar het beklimmen van een berg via een wankele trap vond ik al wat minder. Toen we vervolgens een groot deel van de wandeling ook nog in de regen liepen, zonder regenjas ja, verloren we toch wel de lol in deze wandeling. En teruggaan was eigenlijk geen optie – want tsja die houten trappetjes waren nu vast glad. Mijn vader zei na zo’n wandeling dan regelmatig ‘dat hebben we toch maar weer mooi gedaan’ – of iets van die strekking. Maar ik heb het vermoeden dat mijn zussen hierdoor beiden een hekel hebben gekregen aan wandelen – althans zeker aan wandelen in onbekende oorden.

Waarom ik dit allemaal vertel? Je raadt het nooit… op vakantie in Portugal deden we iets vergelijkbaars. Fietsend dit keer, dat dan weer wel. En iets minder naïef, dat ook. Hoewel er best wat routes aangegeven staan, stond de precieze route die wij ging fietsen natuurlijk niet aangegeven. We gingen naar de zandpannen, gelegen ergens in de nabijheid van het stadje Altura waar we een weekje op vakantie waren. Mijn vader had van een andere Nederlander precies gehoord hoe we moesten fietsen. En zo sprongen mijn ega en ikzelf moedig op de fiets en gingen we achter mijn vader aan. Mijn moeder bleef wijselijk in het appartement… De wind woei stevig, maar ach het was droog en warm dus wat zou het?

Onderweg: flamingo's spotten!
Onderweg: flamingo’s spotten!

Na enige tijd stonden we voor het zandpad dat we in moesten en daar leek het er zo waar op dat de wind ging liggen. Maar na zo’n 500 meter stonden we voor een poort, waar weliswaar het hek van open stond maar waar ook een bord hing ‘Verboden in te rijden.’ Tsja – wat nu? Mijn vader was overtuigd van de route – we hadden precies dat gedaan wat we moesten doen. Hij stond al met zijn fiets achter het hek, het pad op richting de zoutpannen.Tegen beter weten in besloten mijn ega en ik hem toch te volgen – want een andere weg zagen we eigenlijk ook niet. En ach, als het echt niet de goede weg was, zouden we toch snel genoeg tegen een hek aanrijden dachten we. We reden over een prachtig weggetje; we zagen ezels, paarden, flamingo’s en nog tal van andere vogels. We reden tussen de zoutpannen door, kronkelden van links weer naar rechts en hadden de wind meestal in de rug. Tot we na een goed half uur toch echt bij het einde van de weg kwamen, maar helaas werd dit einde gemarkeerd door een rivier. Een zonder brug…. uiteraard. Een dik half uur later stonden we weer voor het bord en bleek er toch wel een weggetje de andere kant op te gaan, maar dat lag een beetje achter het hek. Of we dat nog ingeslagen zijn? Wat denk je zelf?

Het stond er echt niet duidelijk...
Het stond er echt niet duidelijk…

Hottentot, ofwel Urbanus Zelf

Vroeger gingen wij op vakantie in Joegoslavië, Hongarije of Tsjechoslowakije. Een hele onderneming voor mijn ouders denk ik – met 3 kinderen en een wagen volgeladen met campingspullen (later ook met een vouwwagen en nog later met een caravan achter die volgeladen auto) een lange rit maken is vast geen lolletje. Zeker niet als je in het land van aankomst ook nog een visum moet regelen, gebruik makend van handgebaren terwijl je zelf ook vermoeid bent én dat grut in de gaten moet houden. Enfin – ik kan me van die ritten als eerste vooral herinneren dat mijn zussen en ik een beetje strijd hadden over wie in het midden moest zitten. Maar wat ik me ook nog heel goed herinner is het bandje met liedjes van Urbanus van Anus. Vooral die laatste naam vonden we natuurlijk erg grappig. In mijn herinnering was het altijd hetzelfde bandje, met dezelfde liedjes. Voor ons een soort van greatest hits van deze Vlaamse komiek, met liedjes als Bakske vol met stro, Madammen met een bontjas en Theo. Op een gegeven moment viel ik vaak in slaap – met het gemurmel van mijn ouders voorin en het gekletst van mijn zussen achterin als veilig en geruststellend achtergrondgeluid.

Wat ik me ook nog goed kan herinneren is de show waarin Urbanus met een soort langwerpige wortel op zijn hoofd opkwam – ik herinner me dat zo goed omdat ik mocht opblijven om die show (in 2 delen natuurlijk) met mijn vader te kijken. Een hele happening. Ook de films Hector (Nog choco!) en Koko Flanel herinner ik me heel goed. Maar de herinnering aan dat bandje in de auto is toch wel het sterkste.

Eind februari stond Urbanus met zijn show ‘Urbanus zelf’ in het Oude Luxor in Rotterdam. Toen mijn eega voorstelde er heen te gaan was ik een beetje sceptisch. Zouden zijn grapjes niet belegen zijn? Was de man niet al lang met pensioen en als hij dat nog niet was, was het daar dan geen tijd voor? Maar anderzijds: helden van vroeger blijven je toch bij en het was er nog niet van gekomen om naar het Oude Luxor te gaan. En dus togen we op een donderdagavond naar het theater, ik met een enigszins gemengd, sceptisch gevoel. En wat denk je? Hij kwam om met diezelfde wortelhoed!

Wat volgde was ongeveer het bandje van mijn jeugd – op 2 nieuwere liedjes na, waarvan ik er een ook nog vaag kende. En wat mogelijk het lied is waarmee hij in Nederland het meest bekend is geworden, namelijk Poesje Stoei, maar dat terzijde. Tranen met tuiten – van het lachen dus. Een beetje ouderwets is de humor wel, maar de Vlaamse charme maakt heel veel, zo niet alles, goed. En het gevoel van die ritten in de auto kwam in het donker van het theater, met het gemurmel van de mensen om ons heen, ook wel heel snel terug. Niets mis dus met een beetje nostalgie!